maandag 11 april 2016

De ‘Johannes’ volgens Jacobs

Nieuwe historische inzichten inspireerden René Jacobs tot een eigen benadering van Bachs Johannes Passion. Wanneer deze Luister nr. 714 uitkomt, zal de CD-box vermoedelijk nét zijn verschenen.

Tekst: Margaretha Coornstra

‘Dramatisch’ is een woord dat steevast valt zodra we het over Bachs Johannes Passion hebben. Meerdere operaregisseurs lieten zich zelfs verleiden tot een enscenering. René Jacobs heeft daarmee nochtans weinig op: “Er zijn wel verschillende karakters als Jezus, Petrus en Pilatus. En die zingen wel, maar daarmee zijn het nog geen operarollen,” legde hij uit in maart 2015, tijdens een interview met Deutschlandradio Kultur. “Je kunt eigenlijk niet zeggen: bas X zingt de Christuspartij. Want het is geen partij, het zijn de woorden van Jezus.” Natuurlijk, Bach gebruikte wel muziekdramatische middelen, zoals de expressieve recitatieven en buitengewoon virtuoze koren. “Maar,” zei Jacobs, “het krijgt nergens de ijdelheid van opera.”
Die laatste conclusie is terug te horen in ‘zijn’ gloednieuwe Johannes Passion. Op het moment dat ik dit artikel schrijf, is er nog geen CD voorhanden. Wel 45 ongetitelde WAV-bestanden, die in willekeurige volgorde mijn mailbox hebben bereikt. En al viert expressie daarop hoogtij, het blijft een subliem evenwicht tussen historisch geïnformeerd zijn enerzijds (daarover straks meer) en rijkgeschakeerde emotie anderzijds. Met, inderdaad, subtiel uitgelichte dramatische momenten.

De Akademie für Alte Musik Berlin bespeelt instrumenten die Bach zelf idealiter voor oren stonden. Zoals de luit (vaak nagebootst door getokkelde violen) en de zeldzame viola d’amore (meestal vervangen door violen met sordino). Maar ook verder is deze Johannes Passion allesbehalve doorsnee. Grondig archeologisch graafwerk leidde tot onverwachte instrumentale of vocale bezettingen en soms afwijkende tempi. Er is zelfs een intrigerende ‘Appendix’ met onbekende fragmenten. Want wat blijkt? Er bestaat helemaal niet zoiets als ‘de’ Johannes Passion.
Sowieso bestonden er voor Bach geen definitieve versies van zijn composities. Telkens weer paste hij bestaand werk aan of verwerkte er nieuwe ideeën in. Zo ook bij de Johannes, waarmee hij zich vanaf 1724 tot kort voor zijn dood in 1750 bleef bezighouden, ruim 26 jaar. Een tijdbestek waarbinnen zowel muziekstijlen als theologische visies evolueerden. En dan had Bach ook regelmatig nog te kampen met onderbezetting − met alle ad hoc wijzigingen van dien.
Musicoloog Konrad Küster geeft van dit proces een grondige uiteenzetting van ruim 3000 woorden, gevolgd door de ‘Opmerkingen bij de opname’ van René Jacobs zelf, die nog eens een kleine 2000 woorden beslaan. Leesvoer genoeg dus, en allemaal warm aanbevolen. Essentieel punt: de versie die op Goede Vrijdag 1724 in de Leipziger Nikolaikirche in première ging (en die Jacobs nog altijd als basis dient) verschilde aanzienlijk van de opvoering in 1725, in de Thomaskirche. Bach had de Passion van andere openings- en slotkoren voorzien en ook enkele aria’s had vervangen. Wat van die versie bewaard is gebleven, horen we in de Appendix.

Dan de opnamen zelf. Voor het koor wenste Bach zich altijd het minimum van zestien zangers, al moest hij het regelmatig met minder stellen. Dat aantal heeft Jacobs aangehouden. De begrenzing tussen koor en solisten is minder scherp dan we gewend zijn: “Voor onze vier ariazangers, die allemaal ook thuis zijn in de operahuizen, betekent meezingen in het koor een test in nederigheid, tot glorie van God alleen,” aldus Jacobs. “Bij het mengen van subjectief getimbreerde solostemmen met objectieve, homogene koorstemmen, moeten de solisten een beetje subjectiviteit opofferen en de koorzangers een beetje objectiviteit; en ook dat betekent een devote oefening die alleen maar heilzaam kan zijn voor Bachs muziek.”
Inderdaad zingt het koor nu eens sluik en sober, dan weer fel en virtuoos, maar altijd ten dienste ván. Het bekende slotkoraal ‘Ach Herr, lass Dein lieb’ Engelein’ klinkt ditmaal niet licht en ijl zoals je vaak hoort, maar breed en gedragen. Zulks in tegenstelling tot de koraalfantasie uit versie 1725 (Appendix): ‘Christe, Du Lamm Gottes’, dat ontroert door breekbaarheid en inkeer.
Maar ook is daar de verrukkelijke vaart in “Eilt, eilt!” met vloeiende coloraturen in koor, orkest en solist – alles valt samen tot één meeslepend geheel. In het soldatenkoor “Lasset uns die nicht zerteilen” speelt het solokwartet een prominente rol, evenals in het slotkoor “Ruhet wohl”.
Bij de zangsolisten excelleren vooral de mannenstemmen. In de toelichting wordt nog eens aangestipt dat elke uitvoering staat of valt met de evangelist. En wat kunnen we ons dan gelukkig prijzen met Werner Güra: een begeesterd verteller, die bovendien kristalzuiver intoneert.

In de slotalinea van zijn ‘Opmerkingen bij de opname’ heeft René Jacobs nog een dringend verzoek aan de luisteraar: om die vijf nummers van de Appendix, overgebleven uit de Johannes Passion anno 1725, toch vooral niet over te slaan. “Deze Johannes Passion, zo anders van sfeer, verdient het om in haar geheel te worden beluisterd. Misschien hebben we, in ons tijdsgewricht dat schreeuwt om vertroosting, deze minder bekende versie meer nodig dan de gangbare.”


J.S. Bach: Johannes Passion.
Akademie für Alte Musik Berlin & RIAS Kammerchor Berlin o.l.v. René Jacobs.
Harmonia Mundi HMC 802236

Geen opmerkingen:

Een reactie posten